Een analyse van het Nederlandse innovatielandschap en de benutting van overheidsondersteuning door innovatieve bedrijven
Innoveren en verduurzamen in het Nederlandse bedrijfsleven staan hoog op de nationale economische agenda. De overheid fungeert daarom als facilitator en aanjager via subsidies, investeringsmiddelen en andere instrumenten. De centrale vraag in deze analyse is of deze middelen daadwerkelijk de innovatieve bedrijven bereiken.
Om deze vragen te beantwoorden, analyseert Innovatiespotter alle Nederlandse bedrijven op innovatie. Innovatiespotter gebruikt machine learning om innovatieve bedrijven te identificeren binnen het register van alle 3 miljoen Nederlandse bedrijfsinschrijvingen. Elk bedrijf wordt systematisch geanalyseerd op innovatie- en duurzaamheidsindicatoren en ingedeeld in Innovatiethema’s die aansluiten bij het missiegedreven innovatiebeleid en de Sustainable Development Goals (SDG’s).
Daarnaast analyseert Innovatiespotter alle Nederlandse bedrijven op deelname aan ruim 2.000 innovatie- en duurzaamheidsnetwerken en -programma’s. Deze analyse omvat onder andere subsidies (waaronder alle RVO-subsidies), awards, start-upprogramma’s, fondsen, netwerken, patenten en snelgroeiende bedrijven.
De Groeimatrix
Vervolgens zijn alle innovatieve bedrijven ingedeeld in vier groepen. Deze indeling vormt de basis voor de Groeimatrix, een model om te analyseren hoe goed een regionaal innovatie-ecosysteem gericht is op groei.
De groeimatrix:
De vier profielen die de basis vormen voor deze analyse, zijn gebaseerd op de matrix:
- Kleiner dan 10 fte én jonger dan 10 jaar (“klein/jong”)
- Kleiner dan 10 fte én vanaf 10 jaar (“klein/oud”)
- Vanaf 10 fte én jonger dan 10 jaar (“groot/jong”)
- Vanaf 10 fte én vanaf 10 jaar (“groot/oud”)
Eerst bepalen we de omvang en aandeel van elke groep. De omvang van elke groep zegt veel over de dynamiek van het innovatie-ecosysteem in een regio. De aanwezigheid van veel start-ups wijst op een gunstig klimaat voor nieuwe schaalbare bedrijven; een hoog aandeel scale-ups duidt op goede doorgroeimogelijkheden. Grotere gevestigde innovatieve bedrijven versterken het vestigingsklimaat, zorgen voor werkgelegenheid en trekken talent aan.
De vierde groep, kleine gevestigde bedrijven (“klein/oud”), bestaat uit innovatieve bedrijven die niet zijn doorgegroeid. Een relatief grote groep “klein/oud” kan duiden op beperkte doorgroeimogelijkheden en onvoldoende aansluiting van deze groep op het innovatie-ecosysteem.
De verhoudingen
Hoewel beleid vaak is gericht op jonge groeigerichte bedrijven, start-ups (“klein/jong”), vormen zij in werkelijkheid slechts 15% van het innovatielandschap. Boven de grens van 10 fte zijn twee groepen die vooral verschillen in groeitempo. Ongeveer 3% bereikt de 10 fte binnen tien jaar (“groot/jong”), terwijl 37% dat later doet (“groot/oud”).
Tegenover deze drie groeigerichte groepen staat de groep kleine gevestigde innovatieve bedrijven (“klein/oud”). Zij zijn geen start-up meer, maar zijn ook niet opgeschaald. Deze groep vormt maar liefst 45% van het totaal. Daarmee is deze groep zelfs ruim twee keer zo groot als de groep start-ups: kleine gevestigde innovatieve bedrijven vormen de basis van het innovatielandschap.
Verdeling van het innovatielandschap:
- Klein/jong (Start-ups): 15,0 %
- Klein/oud (Smart-ups / nichebedrijven): 45,2 %
- Groot/jong (Scale-ups): 3,2 %
- Groot/oud (Innovatief midden- en grootbedrijf): 36,7 %
Benutting van ondersteuningsinstrumenten
Vervolgens is het interessant om te onderzoeken in welke mate de vier groepen gebruikmaken van ondersteuning. Hiervoor is eerst voor alle innovatieve bedrijven gekeken naar deelname aan ten minste één van alle ruim 2.000 diverse ecosysteemactiviteiten, zoals innovatie- en duurzaamheidsnetwerken, subsidies (waaronder alle RVO-subsidies), start–upprogramma’s, investeringsprogramma’s en rankings. We interpreteren “ondersteuningsinstrumenten” dus breed, want ook bijvoorbeeld innovatie- en duurzaamheidsnetwerken dragen bij aan de ontwikkeling van bedrijven. Tot slot is het RVO-subsidiegebruik apart geanalyseerd.
Diverse ondersteuningsinstrumenten
Eerst is gekeken naar de drie groepen bedrijven die zich in de groeifase bevinden. Van de start-ups (“klein/jong”) maakt 37% gebruik van één van de 2000 geanalyseerde programma’s. Grotere innovatieve bedrijven doen het veel beter: respectievelijk 59% van de jonge innovatieve bedrijven (“groot/jong”) en 66% van de gevestigde innovatieve bedrijven (“groot/oud”) met meer dan 10 fte maken gebruik van ondersteuningsinstrumenten. Voor deze groep lijken beschikbaarheid en bereikbaarheid van ondersteuningsinstrumenten voldoende.
De vierde groep, de groep “klein/oud” scoort het laagst. Uit de analyse blijkt dat deze groep met 32% het minst gebruikmaakt van ondersteuningsinstrumenten. Het verschil met de start-ups is klein, maar de groep “klein/oud” is wel ruim tweemaal zo groot.
De participatiegraad:
- Klein/jong (Start-ups): 37%
- Klein/oud (Smart-ups / nichebedrijven): 32%
- Groot/jong (Scale-ups): 59%
- Groot/oud (Innovatief midden- en grootbedrijf): 66%
Alleen RVO-subsidies
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is een uitvoeringsorganisatie van de Nederlandse overheid die regelingen en programma’s uitvoert voor ondernemerschap, innovatie, duurzaamheid en internationalisering. Voor deze analyse zijn alleen regelingen geselecteerd die bedoeld zijn voor bedrijven met als doel innovatie en duurzaamheid, totaal 279 unieke regelingen.
Er is alleen gekeken naar RVO-subsidiegebruik onder innovatieve bedrijven.
In deze RVO-analyse zijn nevenvestigingen buiten beschouwing gelaten. Daarom wijken de percentages van de vier groepen iets af van de vorige alinea. Zie de toelichting voor meer informatie.
We kijken weer eerst naar de drie groepen in de groeifase. Van de start-ups (“klein/jong”) maakt 7,1 % gebruik van minimaal één RVO-subsidie bedoeld voor innovatie of verduurzaming. Grotere innovatieve bedrijven doen dat beter: respectievelijk 11,6 % van de jonge innovatieve bedrijven (“groot/jong”) en 11,3 % van de gevestigde innovatieve bedrijven (“groot/oud”) met meer dan tien fte hebben minimaal één RVO-subsidie ontvangen.
De groep “klein/oud” scoort wederom het laagst. Uit de analyse blijkt dat deze groep met 4,1 % het minst gebruikmaakt van RVO-subsidies. Het verschil in percentages met de groep start-ups is minimaal, maar omdat de groep “klein/oud” bijna de helft van de gehele populatie vormt, is het effect groot.
Mismatch
Dat de grootste groep innovatieve bedrijven het minst gebruikmaakt van ondersteuning, wijst op een structurele mismatch tussen aanbod en gebruik van ondersteuning.
Hoewel er geen onderzoek is gedaan naar de dieperliggende oorzaken van onderbenutting door kleine gevestigde bedrijven, zijn er wel voor de hand liggende oorzaken aan te wijzen:
- Complexiteit: Het ondersteuningsaanbod is complex. Alleen al RVO voert ruim 200 subsidieregelingen uit, en daar bovenop komt nog een veelvoud aan Europese, regionale en lokale programma’s. Kleine bedrijven missen de capaciteit voor complexe aanvraagtrajecten, zeker gezien de reële risico’s op afwijzing.
- Versnippering: Beleid en financiering zijn Europees, landelijk, regionaal en lokaal georganiseerd. Hierdoor ontstaan talloze initiatieven die via verschillende kanalen communiceren (“lokettenjungle”).
- Beperkte massa: Door de versnippering van initiatieven is het voor individuele programma’s nagenoeg onmogelijk om voldoende bedrijven te bereiken, massa te creëren en écht het verschil te maken.
- Zelfselectie: Het huidige systeem leunt op het principe dat bedrijven zichzelf moeten aanmelden. Ondernemers moeten daarvoor eerst zelf uitzoeken wat relevant is. Dit versterkt de ongelijkheid: alleen wie de weg weet en de juiste contacten heeft, profiteert.
Het resultaat is een systeem dat het meest toegankelijk is voor wie er het minst behoefte aan heeft en het minst bereikbaar voor wie er juist het meest baat bij zou hebben. De groep smart-ups en nichebedrijven is groot genoeg om het verschil te maken in het innovatielandschap, maar klein genoeg om onder de radar te blijven. Dat vraagt om een andere aanpak.
Conclusie
Van de 4 groepen “klein/jong”, “klein/oud”, “groot/jong” en “groot/oud” bereikt het huidige beleid vooral innovatieve bedrijven in de categorieën start-ups (“klein/jong”), scale-ups (“groot/jong”) en gevestigde grote innovatieve bedrijven (“groot/oud”). Echter, de groep smart-ups en nichebedrijven (“klein/oud”) vormt veruit het grootste deel van het innovatielandschap en profiteert bovendien aantoonbaar het minst van ondersteuning.
Deze smart-ups en nichebedrijven vormen een unieke groep: zij werken net als start-ups aan innovaties, zijn vaak door hun bedrijfsleeftijd regionaal geworteld, zorgen voor hoogwaardige werkgelegenheid, dragen bij aan economische vitaliteit en hebben mogelijk groeipotentie. Bovendien zijn ze de risicovolle startfase zoals van een start-up voorbij.
Smart-ups en nichebedrijven zijn van groot economisch en maatschappelijk belang.
Aanbevelingen
De sleutel ligt in een proactieve, datagedreven aanpak: breng de juiste bedrijven actief in contact met het aanbod dat bij hen past. Dat hoeft niet te beginnen met subsidies — er is een breed scala aan laagdrempelige ondersteuning beschikbaar, van innovatienetwerken tot regionale programma’s, waar smart-ups nu nauwelijks van profiteren. Door bedrijven gericht met relevante initiatieven in contact te brengen, profiteert niet alleen het bedrijf: ook de initiatieven zelf groeien mee in bereik en impact.
Gemeenten, provincies en regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) spelen hierin een natuurlijke rol. Zij kennen de lokale ondernemersgemeenschap en hebben het vertrouwen van kleine bedrijven. Door data over innovatieve bedrijven te koppelen aan het regionale aanbod, kunnen zij smart-ups proactief benaderen en hen verbinden met netwerken, programma’s en subsidies die aansluiten bij hun activiteiten. Zo wordt de kloof tussen beschikbare ondersteuning en de bedrijven die er het meest baat bij hebben, eindelijk gedicht.
Een datagedreven, regionaal verankerde aanpak verhoogt het rendement van ondersteuningsinstrumenten, vergroot het bereik van initiatieven en versnelt het behalen van beleidsdoelen.
Toelichting
Identificatie van innovatie
Innovatiespotter identificeert innovatieve bedrijven binnen het register van alle Nederlandse bedrijfsinschrijvingen met behulp van machine learning. Elk bedrijf wordt met machine learning geanalyseerd op innovatie- en duurzaamheidsindicatoren en ingedeeld in thema’s die aansluiten bij het missiegedreven innovatiebeleid en de Sustainable Development Goals (SDG’s). De machine learning algoritmes maken het mogelijk grote hoeveelheden data efficiënt te verwerken. Ter waarborging van de kwaliteit vinden handmatige controles plaats door data-experts en wordt de data getoetst aan externe bronnen zoals subsidies, keurmerken en awards. De data bevat ook algemene bedrijfskenmerken zoals leeftijd, omvang, SBI en rechtsvorm. De analyse is gebaseerd op data met peildatum januari 2026.
Analyse innovatie-ecosysteem
Alle Nederlandse bedrijven worden geanalyseerd op hun deelname aan meer dan 2.000 innovatie- en duurzaamheidsprogramma’s. Dit omvat onder meer subsidies (waaronder alle RVO-subsidies), awards, start-upprogramma’s, fondsen, netwerken en patenten. In het Innovatiespotter-bedrijvenregister worden deze bedrijven gelabeld met de naam van het netwerk of programma. Ondersteuningsinstrumenten worden dus breed geïnterpreteerd, want ook bijvoorbeeld innovatie- en duurzaamheidsnetwerken dragen bij aan de ontwikkeling van bedrijven.
Bedrijven die subsidies, investeringen of andere ondersteuning ontvingen maar niet als innovatief zijn geclassificeerd, zijn buiten deze analyse gelaten.
RVO-subsidies
Deelnemende bedrijven van alle 2000 onderzochte programma’s worden gekoppeld aan het Innovatiespotter basisregister. Grotere bedrijven hebben soms meer dan één vestiging, deze worden in onze methodiek standaard ook meegenomen. Dit om te voorkomen dat regio’s vestigingen in hun werkgebied “missen”. Voor analyses tellen deze bedrijven dan ook meer dan één keer. Over de gehele populatie gaat om relatief kleine aantallen, en zijn op alle 4 segmenten van toepassing. Eventuele afwijkingen zijn dan minimaal.
Bij de RVO-subsidies bestaat een bovengemiddeld aantal ontvangende bedrijven uit meer dan één vestiging. Daarom zijn in de RVO-analyse de nevenvestigingen buiten de analyse gelaten en wijken de percentages af van de eerste analyse op pagina 2.
Groeimatrix alle bedrijven
Ter illustratie de percentages van de groeimatrix van innovatieve bedrijven en alle bedrijven.